1 DARÍUS de Meder nu ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde. 2 En het dacht Daríus goed dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig…
17 Toen antwoordde Daniël en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen…
1 DE koning Bélsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. 2 Als Bélsazar den wijn geproefd had, zeide hij dat men…
28 Dit alles overkwam den koning Nebukadnézar; 29 Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel was wandelende, 30 Sprak de koning en…
1 DE koning Nebukadnézar aan alle volken, natiën en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: Uw vrede worde vermenigvuldigd. 2 Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen,…
21 Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken en hun hoeden en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden…
1 DE koning Nebukadnézar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van…
28 Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart; Die heeft den koning Nebukadnézar bekendgemaakt wat er geschieden zal in het laatste der dagen. Uw droom en…
1 IN het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnézar droomde Nebukadnézar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen en zijn slaap werd in hem gebroken. 2 Toen zeide de koning…
3 En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israëls, te weten uit het koninklijk zaad en uit de prinsen;…
1 IN het derde jaar des koninkrijks van Jójakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, te Jeruzalem en belegerde haar. 2 En de Heere gaf Jójakim,…
11 Ook kwamen tot hem al zijn broeders en al zijn zusters en allen die hem tevoren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem…
1 TOEN antwoordde Job den HEERE en zeide: 2 Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt Gij,…
1 EN de HEERE antwoordde Job uit een onweder en zeide: 2 Gord nu als een man uw lendenen; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 3 Zult gij ook…
1 TOEN antwoordde Job den HEERE en zeide: 2 Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt Gij,…
